donderdag 19 mei 2016

De Erfenis... (een sprookje).

(Geschreven: April '84 / Fantasy).

   Hier niet zo ver vandaan, ongeveer in de buurt van Anna-Palowna, woonde eens een boer met nogal wat land. Zijn huis was verkrot en z'n land verarmd, want al zijn opbrengsten had hij naar zijn zoon in de stad gestuurd om diens studie te bekostigen.
Toen deze boer voelde dat z'n laatste uur geslagen had, liet hij zijn zoon bij zich komen. Dat kon nog nèt, want de afstanden zijn daar niet zo groot en er was zèlfs nog tijd over voor een paar laatste woorden: "Zoon," mompelde hij, "je ziet, het is niet veel meer wat ik achterlaat, maar als je even de moeite wilt nemen om achter in het keukenkastje te kijken, zul je daar twee koekblikken vinden, waarvan de inhoud je leven zal verrijken."

   Daar kon de zoon het mee doen, toen hij weer een beetje bij z'n positieven kwam, (hij hield namelijk veel van z'n vader) ging hij maar eens naar de keuken. Ja hoor, dáár lagen de koekblikken, zó voor het grijpen! Hij opende ze met de verwachting er niet veel bijzonders in aan te treffen en daarin werd hij niet teleurgesteld: in het ene blik zat een hand vol zaaigoed en in het andere een lelijke, raar gevormde zwarte pit. Van verbouwereerdheid sloeg de jongen aan 't nadenken; z'n vader had hem tenslotte niet voor niets laten studeren. Hij kwam tot de conclusie: 'mijn vader was een wijs man en zal hier vast en zeker een bedoeling mee gehad hebben'.

   De volgende dag betrok hij het huisje, knapte het op en liet een week later z'n verloofde Constance over komen. Constance had zich eigenlijk iets méér van de erfenis voorgesteld maar omdat ze hem niet gelijk in de steek wilde laten trok ze voorlopig bij hem in. Vervolgens bewerkte de jongen het land en zaaide z'n erfenis. Voor de pit had hij een speciaal hoekje gereserveerd, goed in 't zicht vanuit z'n luie stoel.
Weldra tierden de gewassen die hij gezaaid had weelderig om hem heen, zelfs Constance ging het zien zitten. Veel hoefde hij er niet aan te doen, het vloog als het ware de grond uit. Hij kon op zijn dooie akkertje de winst opstrijken.

   Alleen, als hij in z'n luie stoel zat, keek hij uit op een kale, dorre plek, geen sprietje te zien! Dat begon hem na geruime tijd danig dwars te zitten; hij zou er eens wat extra mest op gooien bedacht hij en ging aan de slag.
De seizoenen volgden elkaar op. Toen er de tweede zomer nog steeds geen resultaat viel te bespeuren, kwam hij pas goed in actie. Hij kocht betere mest en schoffelde en wiedde net zo lang totdat er uiteindelijk in de herfst een nietig staakje de kop op stak. Vanaf dat moment had hij geen rust meer in z'n luie stoel. Meer en meer koesterde hij het prille plantje, weer en wind duldend, door onbekende kracht gedreven. De andere gewassen gebruikte hij alleen voor z'n allernoodzakelijkste levensbehoeften en de rest gaf hij weg. Hij begon een ander mens te worden.

   Constance echter, kreeg er zwaar de pest over in, ook was ze niet van plan hem te helpen en pakte daarop kwaad haar fiets om voor altijd van hem weg te rijden, via de polderdijk.
Bewoners uit de omgeving raakten nieuwsgierig, ze kwamen geregeld kijken, lachen en soms schimpende opmerkingen maken. De jongen incasseerde dit alles en bleef vriendelijk. Zijn plantje groeide, zij het, dat het op het eerste gezicht een lelijk, miserabel ding leek te worden. Niet van z'n stuk te brengen, zwoegde de jongen voort, totdat onverwachts het jaar daarop het plantje een ander aanschijn kreeg. Was het de kleur of de vorm? Het deed er ook niet toe, de jongen schoffelde weer enthousiast verder en de mensen liet hij verbaasd aan de kant staan. Met het verglijden der jaren werd het plantje steeds mooier en de bevolking steeds vriendelijker.

   Tientallen jaren later werd het plantje boom en begon vruchten te dragen, die bij nadere beschouwing zó gezond bleken te zijn, dat ze vrijwel iedere zieke weer op de been hielpen. Uit dankbaarheid wilden de dorpelingen Jacob (want zo heette de jongen) tot heer en meester over hun gebied verklaren, maar toen ze met fanfare en al naar het huisje togen, was de vogel gevlogen. Alleen de boom stond er nog, in volle pracht en scheen het verder zonder enige verzorging af te kunnen, want hij staat er nu nog.

3 opmerkingen:

  1. Ik snap het einde niet.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Daar is het een sprookje voor....
      De Jongen is nu ook geen jongen meer en heeft zijn levenstaak volbracht... noem het karma. Als je aan je innerlijke groei werkt heeft dat ook zijn uitwerking op de buitenwereld en gaat dat zijn eigen leven leiden. Bij wat je volbrengt in je leven heeft dat niets met eer en roem te maken, dat is iets wat anderen je geven.

      Verwijderen
    2. Vergelijk het gedicht van Han C. Hoekstra 1946:
      --------------- De Ceder ---------------
      Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
      gij kunt het zien, gij schijnt het niet te willen.
      Een binnenplaats meesmuilt ge, sintels, schillen,
      en schimmel die een blinde muur aanrandt,
      er is geen boom, alleen een grauwe wand.
      Hij is er, zeg ik en mijn stem gaat trillen,
      Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
      gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.

      Ik wijs naar buiten, waar zijn ranke, prille
      stam in het herfstlicht staat, onaangerand,
      niet te benaderen voor noodlots grillen,
      geen macht ter wereld kan het droombeeld drillen.
      Ik heb een ceder in mijn tuin geplant.

      Verwijderen

Plaats hier uw leuke opmerking: